26 mei 2018

Nyebho's theatergroep en Mira in mijn armen




Ik zit aan een tafeltje onder een grote boom die zich zo typisch Afrika achtig, ronduit en breed, over ons heen legt. Ons: mijn zeven weken oud dochtertje Mira en ik. Ik ben in een hippe coffee shop in Grahamstown aan het wachten op Francois, die zo’n tien minuten geleden naar buiten is gegaan om Nyebho op te gaan zoeken. Mira was overweldigd door de twee vriendinnen die haar zo’n uur geleden hier voor het eerst vasthielden. Ze schreeuwde zo luid dat ik bijna zin kreeg om met haar mee te huilen. Nu slaapt ze in mijn armen. Ze hijgt nog zachtjes na van zoveel baby drama.

Ik lees tegenwoordig vaak wat op mijn e-reader terwijl Mira op mijn arm slaapt, of ik schrijf wat neer in mijn smartphone. Toen ik die mogelijkheid ontdekte voelde het als een opwindende bevrijding. Ja! Ik hoefde niet meer heel mijn wereld stop te zetten tijdens alle uren van troosten en voeden. Een magische bezigheid die mij de eerste vier tot vijf weken volledig in de ban hield. Maar langzaamaan begon ik ernaar te verlangen mijn wereld groter te maken dan bed - wiegje - wasmachine - keuken. Mijn elektronische hulpstukken brachten redding.

Nu kan ik er echter niet bij. Ze zitten in mijn rugzak die naast mij op de grond staat. Mira’s slaap heeft voorrang. Geen enkele beweging mag de rust die ze nu zo nodig heeft verstoren. Het maakt indruk op me hoe gemakkelijk het gaat haar belang voorop te stellen. Ik kijk naar de bladeren van de bomen op het voetpad. Ik zie alleen het bovenste deel van hun kruinen uitsteken achter de muur. Terrasjes geven hier zelden rechtstreeks uit op het voetpad. Veiligheidsredenen, zou je kunnen denken. Maar ik denk dat het eerder een achteloze gewoonte is geworden om de veilige horeca bubbel af te schermen van de buitenwereld waar armoede je non stop uitdaagt. Voor mij op tafel ligt een grote half opgegeten koek met chocolade brokjes. Iemand heeft hem hier achter gelaten. Ik heb zin om hem op te eten maar ik doe het niet. Nochtans heb ik honger. Mijn honger kan me nerveus en nukkig maken. Ik voel hoe de stemming om de hoek ligt te wachten.

Nyebho is arm. Straatarm. Hij heeft een shack, een huisje vol gaten en scheuren in een township in Grahamstown. Het is het laatste huisje in de straat. Naast hem de begraafplaats. Waar altijd een handvol geiten en koeien vrijelijk over en langs de kleine grafstenen lopen. Betonnen hartjes, halve manen. Ik wandel graag over Afrikaanse begraafplaatsen. Nyebho heeft een altaar gebouwd in zijn voortuin om er zijn Xhosa rituelen uit te voeren. Hij verwijst graag en vaak naar de traditionele aspecten van zijn cultuur. Ik wacht. Bedenk me hoe vaak ik precies dat de voorbije weken met Mira in mijn armen heb gedaan. Alleen maar wachten. Tot ze weer tot leven komt. Tot het leven weer tot leven komt.

De bladeren waaien heen en weer. Ik zie hoe de wind ermee speelt. Mira ademt rustig in en uit. Ze zucht soms, zachtjes kreunend. Haar warme hoofdje tegen mijn nek. Een magisch gevoel. Al zal ik wat ze met me doet waarschijnlijk nooit volledig precies kunnen beschrijven. Ik heb me erbij neergelegd. Elke keer ik haar vermeld zal het een poging zijn. Een imperfecte worp om de reusachtige wereld die ze met zich meebrengt, vorm te geven.

De honger groeit. Ik mis ook mijn hulpstukken steeds meer. Ze geven me het gevoel dat mijn leven niet stilstaat. Dat ik iemand ben of word die zij op een dag zal kunnen bewonderen: een succesvolle, onafhankelijke schrijfster. Maar dat vereist werk. Uren arbeid waar ik nu niet mee verder kan gaan. De half opgegeten koek roept mij steeds harder. Suiker. Meel. Chocolade. De sporen van iemand anders mond. Wil ik het wel echt? In een hoek van dit terras is een sandwichbar. Ik droom van iets met gesmolten kaas of stukjes kip met mayonaise. Maar ik ben gevangen op de vierkante meter waartoe Mira mij beperkt. De bladeren waaien nog steeds heen en weer. Het licht speelt ermee. Af en toe streel ik Mira. Mijn dochtertje. Ons dochtertje. Nog steeds een bijna onwerkelijk besef. En dan gebeurt het weer. Dat gevoel dat zij in mijn leven gekatapulteerd heeft: plots is het gewoon goed. Perfect zelfs. Niets meer te moeten doen dan kijken naar de zilverachtige bladeren.

Een paar dagen na haar geboorte. Ze lag in mijn armen. Het regende staalhard. Zoals het dat de laatste twee maanden zo dikwijls had gedaan. We wonen in een klein grond appartement. Wanneer het regent horen wij dat soms zo hard dat we elkaar amper kunnen verstaan. Die keer was de regen mild. Mira, die al vanaf het begin opvallend gevoelig was voor geluiden, luisterde naar de druppels. Het was alsof ze met haar ogen de beweging ervan volgde.  Door het kijken naar haar ogen besefte ik hoe de regen zich zich inderdaad verplaatste op het dak. Nu eens viel de druppel vlak boven ons, dan weer in de rechter uithoek, daarna het midden. Ze leerde mij ook toen hoeveel leven er in stilstand schuilt. 

Mira’s ademhaling, de rust die daarvan uitgaat. Het is alsof het in mijn huid kruipt en daar iets mysterieus met mijn cellen doet. Iets dat mij op een vreemd, want onbenoembaar diep niveau, ook rustig maakt. Zo zitten we daar dus. Ik, blanke Belg, in een land dat me nog zo vaak verbaast. Francois komt binnen, gevolgd door een opvallend enthousiaste Nybho en drie andere jonge mensen. Nyebho draagt een hoedje met een zwart wit print, een hemd met een zwart wit print en een soort linnen tas die hij om zijn schouder heeft geknoopt. Ook de drie andere jonge mensen, een jongen en twee meisjes, zijn opvallend aantrekkelijk, zelfs hip gekleed. Ik zie onmiddellijk scheurtjes, gaatjes en vlekken op de kleren. Maar ik besef dat ze er moderner uitzien dan mij. Zo gaat het vaak. Jonge mensen uit de townships zien er meestal popcultuur achtig uit. Ze dragen hun fel gekleurde kleren graag strak. De soberheid die in de culturele kringen waarin ik meestal vertoef een zekere status heeft, lijkt voor hen onbekend. Ik bewonder dat. Het straalt levenslustigheid uit en een zekere schaamteloosheid voor vetrolletjes en andere lichamelijke imperfecties.

Francois stelt hen aan mij voor. Het zijn de acteurs van Nyebho’s nieuwe theatergroep. Ik ben aangenaam verrast. Tot nu toe was Nyebho ofwel aan het werken voor een professionele regisseur, of hij deed wat projecten met Francois. Hij heeft ons vaak al plannen voor zijn eigen projecten uit de doeken gedaan, maar iets in de levenslust waarmee hij duidelijk trots naar Francois luistert, zegt me dat het deze keer echt staat te gebeuren. Niet in het  minst omdat het project ook ondersteund wordt door de financiële vrijgevigheid van een Nederlandse vriendin.

Het jonge meisje met de zwarte zonnebril en het oude nepleren jasje wordt door Nyebho voorgesteld als de secretaresse. Zij en Nyebho nemen meestal het woord. Een meisje met een zonnebril met roze glazen en een felle rode Afrika doek rond haar hoofd, luistert stilletjes. Naast haar zit een grote jongen, de vriend van de secretaresse. Ze hebben geen pen bij om notities te maken, wij lenen hen er een. Geen USB stick om de foto’s die we straks met hen zullen nemen op te zetten. Wij kopen hen er een. Ze hebben geen geld voor kostuums. Wel een plastic tas met daarin alles wat ze bijeen konden rapen. Nyebho toont ons trots de Afrikaanse sieraden. Gemaakt van traditionele parels. Hij legt ons uit dat de sieraden met rood en witte parels alleen door hem gedragen mogen worden. Hij is een sangoma. Traditionele healer. Heeft daar een opleiding voor gevolgd. De andere sieraden mogen door om het even wie gedragen worden. Ze vertellen ons waar hun toneelstuk over gaat. Ze zullen het de komende week drie maal opvoeren. Een maal in het psychiatrisch ziekenhuis waar Nyebho momenteel werkt. Hij is verantwoordelijk voor het beheer van een soort voorraadkamer en verdient ongeveer tweehonderd euro per maand. Het minimumloon in Zuid Afrika is momenteel ongeveer anderhalf euro per uur. Net iets minder als een cappucino in dit café. Ze treden ook nog twee maal op in een lokale school. Ze weten niet of ze er geld voor zullen krijgen en hopen op tenminste een maaltijd of het vergoeden van hun vervoersonkosten. Ondanks hun schrijnend gebrek aan middelen, straalt hun hele houding meer gedrevenheid en ernst uit dan ik dat bij veel professionele ex-collega’s en soms ook bij mezelf zag.
In dit toneelstuk klagen ze de groeiende moorden op albino’s aan. Het is een onderdeel van hun cultuur, zo legt de secretaresse geduldig uit, om ziektes te genezen door het offeren van ‘mutis’. Generatie na generatie waren dat steeds dingen die ze in de natuur konden vinden. Ook in het stadje waar wij wonen, zie ik jonge mannen die stukjes boomschors, bepaalde wortels van planten en takjes verkopen op straat. Sinds de jaren negentig, zo blijkt, werd die traditie echter vaak vermengd door de gewoontes die immigranten uit nabije Afrika landen met zich mee brachten.

“De Nigerianen bijvoorbeeld” zegt het jonge meisje gedreven vanachter haar zwarte plastic zonnebril “geloven in het offeren van de beenderen van albino’s.”

“Dat is satanisme!!” vult Nyebho verontwaardigd aan. “Dat deden wij nooit en zo hoort het ook helemaal niet.”

Graven worden open gemaakt om beenderen op te delven. Albino kinderen worden vaak hele dagen thuis gehouden om hen te beschermen tegen een mogelijke dood.

“Dan zijn er nog andere vormen van bijgeloof in onze cultuur gedrongen.” zegt het meisje. “Dat het verkrachten van een jonge baby HIV uit je lichaam zou drijven, bijvoorbeeld.”

Het is stil aan tafel. Ik wieg Mira zachtjes heen en weer. Mira die nog niets weet van dit alles. Mira die op haar tijd het onrecht in deze wereld zal ontdekken.

“Het is nu  net opnieuw gebeurd. Een vader heeft zijn zes maand oude baby verkracht om zijn HIV te verdrijven. Kan je je het inbeelden?”

Stilte. Opnieuw. Francois stelt veel praktische vragen. “Hoeveel kost het voor hen om met de mini busjes, het enige vervoer dat voor handen is, tot in de stad te komen?” 10 rand heen, tien rand terug, per persoon. Dat is gigantisch veel voor hen. “Hoeveel keer komen ze bijeen om te repeteren?” “Elke dag, tot ’s avonds laat.” Met een fonkel in zijn ogen, legt Nyebho ons uit dat ‘zijn acteurs’, hij is de regisseur en schrijver, vaak bij hem blijven slapen.

“We delen ook al ons eten.” zegt Nyebho. “Ik ben de enige die geld verdient.”

De grote jongen haalt ter illustratie een groot vierkant wit brood dat in plastic verpakt zit uit zijn plastic tas.

“Zie je.” zegt Nyebho. “Dat is wat we nu hebben voor vandaag. En als deze mensen hier honger hebben, dan worden ze ...”

Ze kijken elkaar aan. Lachen verlegen, samenzweerderig.

In hun volgende toneelstuk willen ze een aantal oude anti – Apartheid strijders opvoeren die moe geworden zijn, de strijd hebben opgegeven, naar hun oude passie verlangen.

“Maar wij willen laten zien hoeveel er hier en nu nog is om voor te strijden.” klinkt het.

Francois, die aan deze tafel het meeste ervaring heeft in het managen van een onafhankelijke carrière, doet hen wat basistips uit de doeken. “Opvolgen, details van mensen die enthousiast zijn en je nog eens willen boeken noteren, volhouden, onderhandelen.” Ik vul hem af en toe aan met mijn ervaring.  

Nyebho zegt ergens, tussen de praktische besprekingen van hun budget en de motiverende woorden van Francois door: “Dit is wat ik hen” hij wijst naar de drie jonge mensen “wil leren. Al heb je niets, je hebt altijd een talent. Een talent dat je kan gebruiken en delen. Het is dat talent dat je ergens anders zal brengen.”

Hoe vaak heb ik niet gewenst dat mijn omstandigheden anders waren, zonder echt te willen vertrekken van waar ik op dat moment was? Nyebho’s woorden kerven iets in me weg. Het is alsof de confrontatie met zoveel gedrevenheid, in zo’n moeilijke omstandigheden, waarin het nooit zeker is of er die avond eten op tafel staat, het luxueuze ongenoegen uit mij wegsnijdt. Ik herken het gevoel gelijk. Het gebeurt elke keer ik hem ontmoet.

Francois vraagt hem of ze honger hebben. Verlegen, elkaar opnieuw aankijkend, klinkt het: “ja, zeker.” Hij zegt dat hij hen hier een sandwich zal kopen. Nyebho buigt zich gelijk voorover en wenkt Francois. Zachtjes, alsof niemand het mag horen, zegt hij: “Maar Francois. Het is hier duur.” Hij kijkt opnieuw om zich heen. Alsof de obers hem elk moment kunnen wegjagen, nu hij deze woorden heeft uitgesproken. “Maar jullie hebben honger, toch?” zegt Francois. Ze knikken. “Wel. Dan krijg je eten.” Hij staat op en loopt naar de sandwichbar in de hoek. Mira slaapt nog steeds zo diep.

Het jonge meisje naast me stoot me zachtjes aan.

“Het is hier echt duur.”

Nu ben ik het die me verlegen voel. Zijn wij in hun ogen mensen die te kwistig omgaan met geld? Decadent? Ik zeg haar dat we op het platteland leven, heel zuinig. Dat we dit nu wel kunnen betalen. Ze knikt. Ik voel me gek. Was het nodig mij te verantwoorden?

Even later liggen er vier geroosterde boterhammen met kaas en tomaat voor hen. Het valt me op hoe traag ze hier van eten. Het meisje met de roze zonnebril, die tot nu toe nog niets gezegd heeft, wikkelt de sandwich in een servet en steekt het in haar tas. Ik vraag me af waarom. Houdt ze het als avondmaal of wil ze het delen met familie of vrienden huis? Nyebho raakt op dreef wanneer we samen een budgettering opstellen. Misschien kan hij wel voor dertig euro een oude computer kopen die hij dan mee kan nemen naar de optredens en repetities. Geen laptop, die zijn te duur, maar zo’n oud jaren negentig ding.

“We wikkelen het gewoon in een deken en nemen het dan mee op onze schoot in de minibus!” Iedereen lacht.

Wij hebben die avond een afspraak in Port Elizabeth en als we zoals beloofd wat foto’s van hen willen nemen die ze als flyers en affiches kunnen gebruiken,  moeten we nu vertrekken. Het stille meisje zit voorin naast mij en Mira. Ze helpt me om het witte dekentje omhoog te houden, zodat Mira’s gezichtje beschermd is tegen de warme herfstzon. Francois gaat de USB stick kopen. Nyebho en de rest van het groepje zitten achterin, in de donkere laadruimte van de panelwagen. Ik hoor gegiechel in een taal die ik helaas niet kan verstaan.

We nemen de foto’s in een leegstaande school die volledig leeg geroofd is. Alle bruikbare bakstenen, ramen, raamkozijnen en meubels zijn weggenomen. Wat overblijft is een theatraal ogend skelet. Ik wikkel Mira in het witte dekentje om haar te beschermen tegen de koude herfstwind. Ik denk niet veel. Ik kijk. Ik voel me blij. De jonge meisjes kijken met vlammende ogen in de camera. Het zullen mooie foto’s worden. Het is een mooie dag. Ook dat kerft Nyebho in me weg: het is genoeg zo. We zijn onderweg. Met alles wat we hebben en alles wat aan ons ontbreekt. Maar in elk geval elk met onze gaven, die ons de weg zullen wijzen.

Wanneer we een klein uur later wegrijden, zwaaien ze naar ons. Wensen Mira het beste. “En doe de groeten aan je Nederlandse vriendin! Zeg haar hoe blij wij met haar steun zijn!”

Onze auto rijdt over de hobbelige aardewegen. We stoppen voor koeien die naar huis geleid worden door een hip ogende herder met een lange tak. De hartvormige grafstenen verdwijnen in het zicht van mijn achteruitkijk spiegel. Ik zuig de dag zo diep mogelijk in mij op. Mijn economische situatie. Mijn carrière. Het zorgen voor Mira. Alles brengt grenzen met zich mee. Na vandaag vecht ik daar opnieuw wat minder tegen. Ik probeer mijn hoofd te buigen. Talent, zoals Nyebho het zei, iets dat binnen in ons groeit, ons de mogelijkheid geeft te delen, te zorgen en verzorgen, wijst ons de weg. Mira slaapt nog steeds door al deze schoonheid heen.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten