14 jun. 2018

over het ritueel met de geiten dat uitgesteld moet worden, Goodwills huisje dat de winden niet doorstaat en angst voor vluchtelingen.


Goodwill. Elke keer ik hem ontmoet, ben ik blij omdat ik dan denk: "Juij. Straks weer een  mooi verhaal om neer te schrijven." Een bijzonder vreemd en dubbel gevoel. Want de extreme armoede waar hij in leeft en die hij zo open met mij deelt, is naast zijn integriteit een groot deel van wat mij inspireert. 

Meer over hem, zijn geit en huisje in onderstaande tekst. 

Nadat wij Goodwill, een bevriende boswachter, een dienst bewezen hadden, nodigde hij ons uit om in zijn geboortestad Durban een traditioneel Zulu ritueel bij te wonen. Zo’n uitnodiging krijg je hier als blanke niet elke dag dus ja, natuurlijk, graag.

Vandaag bleek echter dat de ceremonie een maand uitgesteld moet worden. Eén van de twee geiten die geslacht zal worden is gebeten door een slang. Goodwill heeft nu het geld niet om een nieuwe geit te kopen. Nochtans werkt hij hard. Ontzettend hard. Ik schreef er eerder al wat over: hij bewaakt een stuk commercieel bos op het eind van onze straat. Dag en nachtshiften. In de winter daalt de temperatuur soms tot rond het vriespunt. Een vuurtje maken mag hij niet. Veiligheidsredenen. Dus zit er niets anders op dan te ijsberen rond het houten bankje met zinkplaten dak op het kruispunt met het mooie zicht.

Goodwill werkt voor een minimumloon dat hem net uit de diepste armoede haalt. Maar zijn huis is een shack. Zinkplaten dak, extreem dunne muren. De wind waait hier deze  maand zo hard dat het zijn huis volledig verwoest heeft. Het weggewaaide zinkplaten dak beschadigde het huis van zijn buur. “Maar” zo zei Goodwill “het enige wat ik kon gaan doen, is mij verontschuldigen.” Hij spaart geld bijeen om volgende maand zijn rijexamen met de vrachtwagen te doen. Tweehonderd euro voor het huren van de vrachtwagen alleen al. Astronomische prijzen voor iemand met zijn financiële status. Maar hij wil het doen. Om van dat verdomde bankje weg te komen. “This job is killing me.” zegt hij.

Ook zijn vriendin zegt dat haar beroep haar ooit de nek om zal doen. Ze verpakt stukken kip in het vleesverwerkingsbedrijf aan de rand van het stadje. Het hele jaar door staat ze daar letterlijk in een frigo haar ding te doen. Nu is ze thuis. Ziekteverlof. Een scan in het staatshospitaal kon de oorzaak van haar rugpijn niet achterhalen. “Ze huilt van de pijn.” aldus Goodwill “dus dachten we, aangezien ze niets vinden in het ziekenhuis, dat er misschien. Je weet wel.” Hij lijkt plots ongewoon verlegen. “Dat er misschien iets in haar. Je weet wel.” Volgens mij doelt hij op een vreemde wraak van de voorvaderen of ‘witchcraft’ maar ik ben het niet zeker. “Dus proberen we het nu maar op de Afrika – manier.” “En die is?” “We zijn naar de katholieke kerk geweest. Ze moet het een week besprenkelen met gewijd water. Voor sommige mensen helpt het, voor anderen niet.”

Verbazingwekkend ironisch, hoe christelijk bijgeloof intussen ook al zo diep in deze Afrika cultuur geworteld is. Het doet me denken aan Nyebho, die me vertelde dat ze de Bijbel in zijn Xhosa cultuur ‘het boek  met de rode mond’ noemen. Omdat de zijkant van de filterdunne blaadjes rood geverfd was toen de eerste blanken hier met hun bekeringsdrang aankwamen. Aan de zijkant leek het alsof er allemaal uitgesneden tanden in de blaadjes stonden. Zoals de ouderwetse bijbels die ik als kind kende.  “Het boek beet ook.” vertrouwde Nyebho mij toe. “Het heeft in onze cultuur gebeten en blafte ons toe.”

Na het kopen van een nieuwe geit, het huren van de gegeerde vrachtwagen, zal Goodwill sparen voor het bouwen van een eigen huisje. “In Durban.” zegt hij. De grote stad zo’n acht uur hier vandaan. “Dat is mijn thuis.” Maar een nog belangrijkere reden is dat hij zijn moeder er een waardig leven wil geven. Ze is ziek. Toen de ambulance haar een paar maand geleden op moest komen pikken, raakten ze niet eens tot bij haar shack. Een berijdbare weg is er eenvoudigweg niet. Dat vindt Goodwill mensonwaardig. Hij heeft nog niet aan zijn moeder durven vertellen dat de wind zijn huis verwoest heeft. “Ze is zo ziek. Ik weet niet hoe ze het nieuws op zal nemen.”

Ik denk over dit alles na terwijl onze baby slaapt in een huisje dat de wind dag na dag doorstaat. Ik zal vannacht alles behalve op een ijskoud bankje moeten gaan zitten of in een levensgrote frigo verdome kippenbillen moet gaan fileren. Ik denk aan het groeiend aantal mensen dat al hun frustraties botvieren op de nieuwe zondebokken in onze maatschappij: vluchtelingen. Stijgende kinderarmoede. Stijgend geweld. Dalende pensioenen. Vuile straten. Het wordt hen allemaal toegedicht. Maar hoe eerlijk is het om het feit dat wij geboren zijn in zoveel materiële welstand als een eigen verdienste te zien? Het heeft geen zin er ons verlammend schuldig over te voelen. Maar waar de arrogantie vandaan komt te denken dat het een absolute unieke en volledig onafhankelijke verdienste is om elke avond eten op tafel te hebben, dat dit los staat van de geschiedenis waarin we toevallig zijn geboren, is mij niet duidelijk. Mijn rij instructeur wil elke rijles weten of de zon vaak schijnt in mijn land. Maar meer nog: hoe gemakkelijk het er is een job te vinden en hoeveel hij er dan zou verdienen. Ik begrijp het wel dat maatschappelijke veranderingen angst teweeg brengen. Het vreemde is eeuwenlang al de zondebok. Maar in de weegschaal der dingen begrijp ik het verlangen van  mensen als Goodwill om in betere omstandigheden te kunnen leven, veel beter.

Of het een oud en afgezaagd verhaal is, het steeds maar te hebben over onze maatschappelijke positie? Dat vraag ik me soms af. Maar een paar dagen geleden moesten we voor de derde keer naar de burgerlijke dienst in King Williams Town. Bij het invoeren van mijn gegevens crashte het systeem steeds. We hebben een reispaspoort voor ons dochtertje nodig en dat kan niet lang meer op zich wachten. Deze keer konden we achter de schermen de manager spreken. Hij herinnerde zich ons probleem en  zou ons voorrang geven aan de foto automaat, waar zo’n veertig mensen aan het wachten waren. “Ik zal hen eerst toespreken.” zei hij “De gemoederen bedaren. Want anders denken ze dat jullie voorrang krijgen omdat jullie blank zijn.” Ik zou er zelf niet aan gedacht hebben dit te doen. Gewoon omdat ik het vaak vergeet of wil vergeten dat ik een andere huidskleur heb. Maar omringd door bijna dagelijkse voorvallen als dit, omringd door levensverhalen als die van Goodwill, is het verdomd moeilijk dat ‘afgezaagd verhaal’ over onze Westerse positie zomaar achter te laten. Bovendien schuilt er ook een soms verwarrend vreemde vreugde in het bevriend zijn met mensen in armoede, zoals Goodwill, in het luxueus voelen hoe dat mijn perspectief verruimt. Meer conclusies kan ik daar op dit moment niet aan geven.

  

3 jun. 2018

street life in Stutterheim

a great street performance here in Stutterheim, where we live. On the corner where the hairdressers do their thing every day.



26 mei 2018

Nyebho's theatergroep en Mira in mijn armen




Ik zit aan een tafeltje onder een grote boom die zich zo typisch Afrika achtig, ronduit en breed, over ons heen legt. Ons: mijn zeven weken oud dochtertje Mira en ik. Ik ben in een hippe coffee shop in Grahamstown aan het wachten op Francois, die zo’n tien minuten geleden naar buiten is gegaan om Nyebho op te gaan zoeken. Mira was overweldigd door de twee vriendinnen die haar zo’n uur geleden hier voor het eerst vasthielden. Ze schreeuwde zo luid dat ik bijna zin kreeg om met haar mee te huilen. Nu slaapt ze in mijn armen. Ze hijgt nog zachtjes na van zoveel baby drama.

Ik lees tegenwoordig vaak wat op mijn e-reader terwijl Mira op mijn arm slaapt, of ik schrijf wat neer in mijn smartphone. Toen ik die mogelijkheid ontdekte voelde het als een opwindende bevrijding. Ja! Ik hoefde niet meer heel mijn wereld stop te zetten tijdens alle uren van troosten en voeden. Een magische bezigheid die mij de eerste vier tot vijf weken volledig in de ban hield. Maar langzaamaan begon ik ernaar te verlangen mijn wereld groter te maken dan bed - wiegje - wasmachine - keuken. Mijn elektronische hulpstukken brachten redding.

Nu kan ik er echter niet bij. Ze zitten in mijn rugzak die naast mij op de grond staat. Mira’s slaap heeft voorrang. Geen enkele beweging mag de rust die ze nu zo nodig heeft verstoren. Het maakt indruk op me hoe gemakkelijk het gaat haar belang voorop te stellen. Ik kijk naar de bladeren van de bomen op het voetpad. Ik zie alleen het bovenste deel van hun kruinen uitsteken achter de muur. Terrasjes geven hier zelden rechtstreeks uit op het voetpad. Veiligheidsredenen, zou je kunnen denken. Maar ik denk dat het eerder een achteloze gewoonte is geworden om de veilige horeca bubbel af te schermen van de buitenwereld waar armoede je non stop uitdaagt. Voor mij op tafel ligt een grote half opgegeten koek met chocolade brokjes. Iemand heeft hem hier achter gelaten. Ik heb zin om hem op te eten maar ik doe het niet. Nochtans heb ik honger. Mijn honger kan me nerveus en nukkig maken. Ik voel hoe de stemming om de hoek ligt te wachten.

Nyebho is arm. Straatarm. Hij heeft een shack, een huisje vol gaten en scheuren in een township in Grahamstown. Het is het laatste huisje in de straat. Naast hem de begraafplaats. Waar altijd een handvol geiten en koeien vrijelijk over en langs de kleine grafstenen lopen. Betonnen hartjes, halve manen. Ik wandel graag over Afrikaanse begraafplaatsen. Nyebho heeft een altaar gebouwd in zijn voortuin om er zijn Xhosa rituelen uit te voeren. Hij verwijst graag en vaak naar de traditionele aspecten van zijn cultuur. Ik wacht. Bedenk me hoe vaak ik precies dat de voorbije weken met Mira in mijn armen heb gedaan. Alleen maar wachten. Tot ze weer tot leven komt. Tot het leven weer tot leven komt.

De bladeren waaien heen en weer. Ik zie hoe de wind ermee speelt. Mira ademt rustig in en uit. Ze zucht soms, zachtjes kreunend. Haar warme hoofdje tegen mijn nek. Een magisch gevoel. Al zal ik wat ze met me doet waarschijnlijk nooit volledig precies kunnen beschrijven. Ik heb me erbij neergelegd. Elke keer ik haar vermeld zal het een poging zijn. Een imperfecte worp om de reusachtige wereld die ze met zich meebrengt, vorm te geven.

De honger groeit. Ik mis ook mijn hulpstukken steeds meer. Ze geven me het gevoel dat mijn leven niet stilstaat. Dat ik iemand ben of word die zij op een dag zal kunnen bewonderen: een succesvolle, onafhankelijke schrijfster. Maar dat vereist werk. Uren arbeid waar ik nu niet mee verder kan gaan. De half opgegeten koek roept mij steeds harder. Suiker. Meel. Chocolade. De sporen van iemand anders mond. Wil ik het wel echt? In een hoek van dit terras is een sandwichbar. Ik droom van iets met gesmolten kaas of stukjes kip met mayonaise. Maar ik ben gevangen op de vierkante meter waartoe Mira mij beperkt. De bladeren waaien nog steeds heen en weer. Het licht speelt ermee. Af en toe streel ik Mira. Mijn dochtertje. Ons dochtertje. Nog steeds een bijna onwerkelijk besef. En dan gebeurt het weer. Dat gevoel dat zij in mijn leven gekatapulteerd heeft: plots is het gewoon goed. Perfect zelfs. Niets meer te moeten doen dan kijken naar de zilverachtige bladeren.

Een paar dagen na haar geboorte. Ze lag in mijn armen. Het regende staalhard. Zoals het dat de laatste twee maanden zo dikwijls had gedaan. We wonen in een klein grond appartement. Wanneer het regent horen wij dat soms zo hard dat we elkaar amper kunnen verstaan. Die keer was de regen mild. Mira, die al vanaf het begin opvallend gevoelig was voor geluiden, luisterde naar de druppels. Het was alsof ze met haar ogen de beweging ervan volgde.  Door het kijken naar haar ogen besefte ik hoe de regen zich zich inderdaad verplaatste op het dak. Nu eens viel de druppel vlak boven ons, dan weer in de rechter uithoek, daarna het midden. Ze leerde mij ook toen hoeveel leven er in stilstand schuilt. 

Mira’s ademhaling, de rust die daarvan uitgaat. Het is alsof het in mijn huid kruipt en daar iets mysterieus met mijn cellen doet. Iets dat mij op een vreemd, want onbenoembaar diep niveau, ook rustig maakt. Zo zitten we daar dus. Ik, blanke Belg, in een land dat me nog zo vaak verbaast. Francois komt binnen, gevolgd door een opvallend enthousiaste Nybho en drie andere jonge mensen. Nyebho draagt een hoedje met een zwart wit print, een hemd met een zwart wit print en een soort linnen tas die hij om zijn schouder heeft geknoopt. Ook de drie andere jonge mensen, een jongen en twee meisjes, zijn opvallend aantrekkelijk, zelfs hip gekleed. Ik zie onmiddellijk scheurtjes, gaatjes en vlekken op de kleren. Maar ik besef dat ze er moderner uitzien dan mij. Zo gaat het vaak. Jonge mensen uit de townships zien er meestal popcultuur achtig uit. Ze dragen hun fel gekleurde kleren graag strak. De soberheid die in de culturele kringen waarin ik meestal vertoef een zekere status heeft, lijkt voor hen onbekend. Ik bewonder dat. Het straalt levenslustigheid uit en een zekere schaamteloosheid voor vetrolletjes en andere lichamelijke imperfecties.

Francois stelt hen aan mij voor. Het zijn de acteurs van Nyebho’s nieuwe theatergroep. Ik ben aangenaam verrast. Tot nu toe was Nyebho ofwel aan het werken voor een professionele regisseur, of hij deed wat projecten met Francois. Hij heeft ons vaak al plannen voor zijn eigen projecten uit de doeken gedaan, maar iets in de levenslust waarmee hij duidelijk trots naar Francois luistert, zegt me dat het deze keer echt staat te gebeuren. Niet in het  minst omdat het project ook ondersteund wordt door de financiële vrijgevigheid van een Nederlandse vriendin.

Het jonge meisje met de zwarte zonnebril en het oude nepleren jasje wordt door Nyebho voorgesteld als de secretaresse. Zij en Nyebho nemen meestal het woord. Een meisje met een zonnebril met roze glazen en een felle rode Afrika doek rond haar hoofd, luistert stilletjes. Naast haar zit een grote jongen, de vriend van de secretaresse. Ze hebben geen pen bij om notities te maken, wij lenen hen er een. Geen USB stick om de foto’s die we straks met hen zullen nemen op te zetten. Wij kopen hen er een. Ze hebben geen geld voor kostuums. Wel een plastic tas met daarin alles wat ze bijeen konden rapen. Nyebho toont ons trots de Afrikaanse sieraden. Gemaakt van traditionele parels. Hij legt ons uit dat de sieraden met rood en witte parels alleen door hem gedragen mogen worden. Hij is een sangoma. Traditionele healer. Heeft daar een opleiding voor gevolgd. De andere sieraden mogen door om het even wie gedragen worden. Ze vertellen ons waar hun toneelstuk over gaat. Ze zullen het de komende week drie maal opvoeren. Een maal in het psychiatrisch ziekenhuis waar Nyebho momenteel werkt. Hij is verantwoordelijk voor het beheer van een soort voorraadkamer en verdient ongeveer tweehonderd euro per maand. Het minimumloon in Zuid Afrika is momenteel ongeveer anderhalf euro per uur. Net iets minder als een cappucino in dit café. Ze treden ook nog twee maal op in een lokale school. Ze weten niet of ze er geld voor zullen krijgen en hopen op tenminste een maaltijd of het vergoeden van hun vervoersonkosten. Ondanks hun schrijnend gebrek aan middelen, straalt hun hele houding meer gedrevenheid en ernst uit dan ik dat bij veel professionele ex-collega’s en soms ook bij mezelf zag.
In dit toneelstuk klagen ze de groeiende moorden op albino’s aan. Het is een onderdeel van hun cultuur, zo legt de secretaresse geduldig uit, om ziektes te genezen door het offeren van ‘mutis’. Generatie na generatie waren dat steeds dingen die ze in de natuur konden vinden. Ook in het stadje waar wij wonen, zie ik jonge mannen die stukjes boomschors, bepaalde wortels van planten en takjes verkopen op straat. Sinds de jaren negentig, zo blijkt, werd die traditie echter vaak vermengd door de gewoontes die immigranten uit nabije Afrika landen met zich mee brachten.

“De Nigerianen bijvoorbeeld” zegt het jonge meisje gedreven vanachter haar zwarte plastic zonnebril “geloven in het offeren van de beenderen van albino’s.”

“Dat is satanisme!!” vult Nyebho verontwaardigd aan. “Dat deden wij nooit en zo hoort het ook helemaal niet.”

Graven worden open gemaakt om beenderen op te delven. Albino kinderen worden vaak hele dagen thuis gehouden om hen te beschermen tegen een mogelijke dood.

“Dan zijn er nog andere vormen van bijgeloof in onze cultuur gedrongen.” zegt het meisje. “Dat het verkrachten van een jonge baby HIV uit je lichaam zou drijven, bijvoorbeeld.”

Het is stil aan tafel. Ik wieg Mira zachtjes heen en weer. Mira die nog niets weet van dit alles. Mira die op haar tijd het onrecht in deze wereld zal ontdekken.

“Het is nu  net opnieuw gebeurd. Een vader heeft zijn zes maand oude baby verkracht om zijn HIV te verdrijven. Kan je je het inbeelden?”

Stilte. Opnieuw. Francois stelt veel praktische vragen. “Hoeveel kost het voor hen om met de mini busjes, het enige vervoer dat voor handen is, tot in de stad te komen?” 10 rand heen, tien rand terug, per persoon. Dat is gigantisch veel voor hen. “Hoeveel keer komen ze bijeen om te repeteren?” “Elke dag, tot ’s avonds laat.” Met een fonkel in zijn ogen, legt Nyebho ons uit dat ‘zijn acteurs’, hij is de regisseur en schrijver, vaak bij hem blijven slapen.

“We delen ook al ons eten.” zegt Nyebho. “Ik ben de enige die geld verdient.”

De grote jongen haalt ter illustratie een groot vierkant wit brood dat in plastic verpakt zit uit zijn plastic tas.

“Zie je.” zegt Nyebho. “Dat is wat we nu hebben voor vandaag. En als deze mensen hier honger hebben, dan worden ze ...”

Ze kijken elkaar aan. Lachen verlegen, samenzweerderig.

In hun volgende toneelstuk willen ze een aantal oude anti – Apartheid strijders opvoeren die moe geworden zijn, de strijd hebben opgegeven, naar hun oude passie verlangen.

“Maar wij willen laten zien hoeveel er hier en nu nog is om voor te strijden.” klinkt het.

Francois, die aan deze tafel het meeste ervaring heeft in het managen van een onafhankelijke carrière, doet hen wat basistips uit de doeken. “Opvolgen, details van mensen die enthousiast zijn en je nog eens willen boeken noteren, volhouden, onderhandelen.” Ik vul hem af en toe aan met mijn ervaring.  

Nyebho zegt ergens, tussen de praktische besprekingen van hun budget en de motiverende woorden van Francois door: “Dit is wat ik hen” hij wijst naar de drie jonge mensen “wil leren. Al heb je niets, je hebt altijd een talent. Een talent dat je kan gebruiken en delen. Het is dat talent dat je ergens anders zal brengen.”

Hoe vaak heb ik niet gewenst dat mijn omstandigheden anders waren, zonder echt te willen vertrekken van waar ik op dat moment was? Nyebho’s woorden kerven iets in me weg. Het is alsof de confrontatie met zoveel gedrevenheid, in zo’n moeilijke omstandigheden, waarin het nooit zeker is of er die avond eten op tafel staat, het luxueuze ongenoegen uit mij wegsnijdt. Ik herken het gevoel gelijk. Het gebeurt elke keer ik hem ontmoet.

Francois vraagt hem of ze honger hebben. Verlegen, elkaar opnieuw aankijkend, klinkt het: “ja, zeker.” Hij zegt dat hij hen hier een sandwich zal kopen. Nyebho buigt zich gelijk voorover en wenkt Francois. Zachtjes, alsof niemand het mag horen, zegt hij: “Maar Francois. Het is hier duur.” Hij kijkt opnieuw om zich heen. Alsof de obers hem elk moment kunnen wegjagen, nu hij deze woorden heeft uitgesproken. “Maar jullie hebben honger, toch?” zegt Francois. Ze knikken. “Wel. Dan krijg je eten.” Hij staat op en loopt naar de sandwichbar in de hoek. Mira slaapt nog steeds zo diep.

Het jonge meisje naast me stoot me zachtjes aan.

“Het is hier echt duur.”

Nu ben ik het die me verlegen voel. Zijn wij in hun ogen mensen die te kwistig omgaan met geld? Decadent? Ik zeg haar dat we op het platteland leven, heel zuinig. Dat we dit nu wel kunnen betalen. Ze knikt. Ik voel me gek. Was het nodig mij te verantwoorden?

Even later liggen er vier geroosterde boterhammen met kaas en tomaat voor hen. Het valt me op hoe traag ze hier van eten. Het meisje met de roze zonnebril, die tot nu toe nog niets gezegd heeft, wikkelt de sandwich in een servet en steekt het in haar tas. Ik vraag me af waarom. Houdt ze het als avondmaal of wil ze het delen met familie of vrienden huis? Nyebho raakt op dreef wanneer we samen een budgettering opstellen. Misschien kan hij wel voor dertig euro een oude computer kopen die hij dan mee kan nemen naar de optredens en repetities. Geen laptop, die zijn te duur, maar zo’n oud jaren negentig ding.

“We wikkelen het gewoon in een deken en nemen het dan mee op onze schoot in de minibus!” Iedereen lacht.

Wij hebben die avond een afspraak in Port Elizabeth en als we zoals beloofd wat foto’s van hen willen nemen die ze als flyers en affiches kunnen gebruiken,  moeten we nu vertrekken. Het stille meisje zit voorin naast mij en Mira. Ze helpt me om het witte dekentje omhoog te houden, zodat Mira’s gezichtje beschermd is tegen de warme herfstzon. Francois gaat de USB stick kopen. Nyebho en de rest van het groepje zitten achterin, in de donkere laadruimte van de panelwagen. Ik hoor gegiechel in een taal die ik helaas niet kan verstaan.

We nemen de foto’s in een leegstaande school die volledig leeg geroofd is. Alle bruikbare bakstenen, ramen, raamkozijnen en meubels zijn weggenomen. Wat overblijft is een theatraal ogend skelet. Ik wikkel Mira in het witte dekentje om haar te beschermen tegen de koude herfstwind. Ik denk niet veel. Ik kijk. Ik voel me blij. De jonge meisjes kijken met vlammende ogen in de camera. Het zullen mooie foto’s worden. Het is een mooie dag. Ook dat kerft Nyebho in me weg: het is genoeg zo. We zijn onderweg. Met alles wat we hebben en alles wat aan ons ontbreekt. Maar in elk geval elk met onze gaven, die ons de weg zullen wijzen.

Wanneer we een klein uur later wegrijden, zwaaien ze naar ons. Wensen Mira het beste. “En doe de groeten aan je Nederlandse vriendin! Zeg haar hoe blij wij met haar steun zijn!”

Onze auto rijdt over de hobbelige aardewegen. We stoppen voor koeien die naar huis geleid worden door een hip ogende herder met een lange tak. De hartvormige grafstenen verdwijnen in het zicht van mijn achteruitkijk spiegel. Ik zuig de dag zo diep mogelijk in mij op. Mijn economische situatie. Mijn carrière. Het zorgen voor Mira. Alles brengt grenzen met zich mee. Na vandaag vecht ik daar opnieuw wat minder tegen. Ik probeer mijn hoofd te buigen. Talent, zoals Nyebho het zei, iets dat binnen in ons groeit, ons de mogelijkheid geeft te delen, te zorgen en verzorgen, wijst ons de weg. Mira slaapt nog steeds door al deze schoonheid heen.


27 apr. 2018

voor Mira, mijn dochter



Ze kijkt me aan. Nog zonder mij te zien.
Ik ben een geur voor haar. Een vlek.
Een hartslag die ze nu vanaf de andere kant van mijn huid hoort.

Ik ben een moeder. De hare.
Zonder dat zij al weet wat dat betekent.

Het voelt goed zo betekenisloos te zijn.
Betekenisloos is geen goed woord.
Zo vaag, zo vlekkerig.
Na al die Westerse moderne jaren van het zoeken naar mijn identiteit.

Toch is ze afhankelijk van mijn borsten voor haar overleven.
Al zal ze zich niets herinneren van deze weken.

Misschien zal ze zich er later vragen over stellen in haar eigen zoektocht
en dan - toevallig - op dit tekstje van haar moeder botsen,
Misschien ligt het ergens in een oud word document,                                                                   
als een vergeelde foto, op haar te wachten.

Of ik op dat moment nog leef,
en welke namen zij intussen voor mij heeft verzonnen,
lieve namen die ze schaamteloos hardop deelt,
vervloekte namen die ze alleen in zichzelf durft te denken,
is de vraag waarop noch ik, op dit terras, noch zij, in mijn draagtas,
vandaag het antwoord weet.

Ze is het brandpunt van mijn nieuwsgierigheid.
Centrum van mijn zwaartekracht.

Vier kilo warmte in mijn armen.

Ik noem haar Mira Miracoli.
Of Mira Monstertje. Wanneer ze ’s nachts de grenzen van mijn vermoeidheid tart.
Liefie kan ook, op zijn Afrikaans.
Of gewoon,


Mira.  


2 mrt. 2018

Poetry in Mc Gregor

thank you, Poetry in Mc Gregor, for hosting us again! It was a truly special event for us as well.

screenshot from their website: poetryinmcgregor.co.za 

27 feb. 2018

Lesotho

I took these Lesotho - pictures yesterday at the Bokoro High School. The previous principal of this school, Mrs Mpalenga, was so passionate about agriculture that she decided to grow crops on the school grounds, to feed the more than 400 children. Right now, they were able to feed all of them 3 meals a day for more than 6 months. Sweet corn, beans, cabbage. They hope to find funds to start a greenhouse as well. Apart from this beautiful story, the energy of the children and staff was like an injection of lust for life, as usual.











15 feb. 2018

Zuma versus Ramaphosa.

Het is zover. Zuma, die meer dan 700 ernstige klachten tegen zich heeft lopen en een kletpocraat bij uitstek is gebleken, is ontslagen. Tijd voor zijn opvolger en ANC partijgenoot Ramaphosa. “De nieuwe Zuma” volgens sommigen. Of “de man die het gezien zijn business achtergrond vooral voor de blanken op zal nemen.” Maar ik en Francois, die mij inspireert met de vastberadenheid waarmee hij zijn tanden zet in al het nieuws en de visies die hij daaruit destilleert, zijn hoopvoller. De toekomst zal mij misschien ongelijk geven. Ik ben in elk geval geen politiek specialist, zeker niet in een land dat zo bol staat van de complexe lagen op lagen op lagen. Maar ik weet wel dat Ramaphosa eind december de man was die naar buiten kwam om te onderhandelen met de vier (of waren het er vijf?) traditonele Xhosa leiders die helemaal te voet van de Oostkaap naar Pretoria gekomen waren om Zuma te spreken over hun prangende eisen. Zuma hield zich toen van de dove. Ramaphosa luisterde naar hen en gaf de traditoneel geklede mannen vliegtickets naar huis, zodat ze alsnog en overwacht kerstavond thuis konden vieren. “Een pr stunt” volgens sommigen. Een ontroerend en betekenisvol gebaar, volgens mij. Gisteren ging Ramaphosa naar het huis van Zuma, nadat de ANC unaniem besloten had dat het tijd was voor Zuma om op te stappen. Zuma weigerde echter. Hij had tot middernacht de tijd akkoord te gaan met de beslissing, voor er een motie van wantrouwen uitgevaardigd zou worden. Ramaphosa had het niet hoeven doen, dat persoonlijk bezoek. Waar ik trouwens een vliegje op de muur bij had willen zijn. Hij had in zijn luie stoel kunnen blijven zitten, riant eten kunnen bestellen en dagdromend over zijn nieuwe machtspositie de oppositie met Zuma gewoon aan kunnen gaan. Opnieuw een goede pr stunt, of een teken van een echte gave om te onderhandelen? Ik blijf het laatste kiezen. We zullen zien. Ik wens Zuid Afrika in elk niets anders toe dan een dramatische daling in misdaad en corruptie. Een vaste leidershand lijkt daar een broodnodige eerste stap voor. 

31 jan. 2018

HA!News 29 January

Below you find part of your latest HA!Newsletter. To receive the full one, with more news on our latest products & touring data, you can go to www.hamanworld.com & subscribe, or contact me on jokedebaere33@gmail.com 

1. Message (by Joke) silent force of nature

One morning, about seven months ago, I woke up with this feeling that someone had switched on the lights inside my body. I looked in the mirror and there I was, staring at myself with unusual big eyes. Some weeks later, a home test confirmed it. Pregnancy had entered me and Francois’ lives.

Since then, it is the first thing I think of when I wake up. Sometimes it feels for a split second as if that big belly is not there anymore. In an unconscious, sleepy gesture, I go with my hand to that area and yes. Of course. That little being is still living in that dark womb.

My twin sister was so very generous to buy some beautiful pregnancy clothes for me. Something one hardly finds here in South Africa. She also gave me all the clothes she has worn throughout her three pregnancies. The other day, I noticed that one of those blue dresses had a lot of fluffs on the belly area. Exactly that part of the dress that I caress so often, unconsciously even. Francois often jokes at me these days: “Trying to keep the baby inside?” Yes, how irrational that may be. The gesture feels like some sort of protection, a safety net one can say. But it is also just so nice to feel the growing roundness. Just laying my hand there. The idea that my twin sister, as seen in the signs on the dress, had also so often done exactly that, moved me. How becoming a mother is such an incredible age old, universal thing.

There is obviously more to life than being busy with this mysterious process. But since the day that light was switched on in me, things will never be the same anymore and at the same time, I am still that Joke with her particular passions, doubts, joys.

We’ve been living in the countryside since June, surrounded by a silence that is both inspiring and at times very challenging to me. I always assumed, just like my friends, that I was “a nature person”. I loved wooden furniture in my Antwerp flats, tried to eat healthy, recharged my batteries on short trips to big parks or to the South of France, hardly ever wear make-up, etc. The typical, and even rather cliché signs of “a nature person”. Yet, living out here in Stutterheim, with so  many open days on my hands, made me realize it had always been a too easy position, to see myself that way, while living in such a vibrant, cosmopolitan, very urban town. No. This is the real thing. All these huge green trees, with their relentless rustling, just being there. They so often say in poems or quotes that nature brings wisdom, insights, peacefulness. True. But I had to experience first hand how nature is also hard in a certain way. What I mean with this is that she doesn’t offer you a golden plate with all the solutions you crave for neatly served. She is just there. Point. As firm as the huge trunks of old trees, deeply rooted in fertile soils. Surely, she doesn’t judge, like nothing or no one else can do. But I experienced her as someone or rather something that turns the white noise down, so that you can hear your inner turmoil as clear and loud as never before. Just that. Nothing more. No pampering, no spoiling. No words that silently whisper golden solutions for my inner quests into my ears. The only thing they seemed to say was something like: “Yes. Deal with it, Joke. Deal with the joys, the sorrows, the fears, the dreams and the passion. I won’t pamper nor distract you.”

I still love Antwerp and on some days, I can miss, like nothing else, the trams, the multicolored people, my friends, the shops, the many cozy pubs where we used to meet and work. But these green silent trees are becoming as much part of my and our life. If I think of raising our child amongst such natural abundance, I can only be grateful to offer our child the dark soils, the adventures, the secret corners of the property where we live on, to build camps, to get dirty in mud, or simply silently daydream while she will hear the very same rustling, not distracted or pampered by anything else.

Life is full of uncertain factors. These future images are obviously only daydreams of me (and Francois). But that light that was switched on in me … how can I say. It brings a focus as never before. Even if that
means having to sail through inner voices that runs wild.

Francois recently said the most beautiful thing, when I admitted, slightly shy, that I was so tired of hearing the things I wanted to run away from and urgently change. He said: “They now get all the time and space to run free, to run to the full. So, in this way they will get tired and die out more soon than when you can shadow them with all sorts of distractions.”

This thought stayed with me since then. I hope that in this fragile yet very strong world, with all its modern challenges, we can all keep on offering our thoughts, our children and ourselves exactly that: the space to run free, to run wild, to run to the full. To challenge ourselves, up to the point where a new phase can enter our lives.

This being said, on the artistic side, we are preparing hard for our next South African tour - the very last tour with just the two of us on the road. We recorded two new cd’s with poems of me and music of Francois - very nice things to do I must say! I just love our home studio. I am bit by bit sharing my novel with a handful of readers, digesting their responses and just started working on a series of short prose stories, based on things I hear on the road or read in the newspaper. I take the bottom-line of things that inspire me and fill the gaps with my imagination. I hope to have a collection of stories ready by the end of this year.

My you all have a blessed 2018, hopefully our paths cross again.

Joke.

23 jan. 2018

Two Worlds: true story of an armed robbery in South Africa. (for sale)

This prosaic text was originally written in Dutch and then so beautifully, elegantly translated by Marie Bosman. The text is for within two weeks at our performances or online, on request. In this fragment, my partner Francois and I are lying down on the ground, surrounded by four armed men. 
The leader of the group pushes me roughly to the ground. It hurts badly. He tells me to lie down on my stomach, with my hands on my back. I again struggle to understand him.
“What do you mean?” I ask as politely as possible.
“Lie on your stomach,” Francois says. “You have to stay like that for now.”
As they now tie also my hands with the laces of my hiking boots, Francois lands next to me again. This time our legs are stretched out.
Francois later could not remember these words, but I heard someone say, “I always finish my job with killing, and then we play some music.”
Soon they take us into the bushes, I thought. They position us in specific, symmetric, geometric positions and kill us one by one.
I imagine how they send a bullet through my chest, how I fall down and how my friend then also falls to the ground.
They start to go through our things. Not the books that the Nice One looked at so attentively, not the leather pants, but the stuff on the little table.
“I hate you whites,” says the leader as I hear things being thrown on the ground. “You with your laptops.”
The sentence pierces my heart and lets it break apart in many pieces. That breaking would continue for months. I hate us whites with our laptops namely also sometimes. I would not kill us for it and an army of psychologists is eager and ready to counsel me away from this, in their eyes, unnecessary guilt, but I do often think that.
Us whites with our laptops. We log on in little South African cafés while poor people serve us for a hunger pay. We use the freely available electricity while scores of people in the townships are unable to scrape enough change together to kick-start their power, so necessary for each day.
Yes, I hate us whites sometimes with a passion. We, who with our industrial revolution under the veil of civilization, permanently fucked up whole forests. We, who have our laptops made in foreign countries and then sell them at abnormally high prices. Yes, I hate us whites with our laptops also sometimes. How we all like to sit at a wooden counter with a big window in a hip coffee bar and then often plug in our ear phones to hear our favorite music, drowning out the music chosen by the professionally trained baristas. How we communicate hours on end via email. To fill our schedules. Sell stuff online. How we try to manage the whole world according to our image. Our so-called successful image. The pinnacle of civilization, which we fought so hard for. Yes, I get you, you psychopathic man. It is just that you utter these words with a hate I have never heard before.
If you hate us whites because of the cocoon in which we make our existence. If you hate us for the social cohesion that breaks down in direct correlation to the number of laptops we buy and sell. If you hate us whites for the fact that we destroyed the most precious natural resources of your continent, or are destroying them, in our vain search for more raw materials, more wealth, more stuff. If you want to return to a life where nature is the main character and not our brains. If you want to return to a life where the fragrance of trees and earth is everywhere as present as in the bushveld, then I can only agree with you.
Can we rather just sit at the table and talk to each other?
Maybe you have never contemplated that I hate some of the things on my end of the spectrum as much as what you hate them on the other side of the spectrum. You can take my laptop with you. I don’t think I will miss anything about it. You can have it. Everything.
But if you mean you hate us because we are inhumane monsters. If you mean you hate us because you think we have no feelings, no pity, compassion, empathy. If you hate us because you think we only do wrong with our wealth. If you want to kill us because you think we deliberately maintain injustice, then I don’t agree with you. I cannot drive my ‘mea culpa’ that far that nothing remains of me and my fellow white people. For that I know too many good white people with laptops. For that I know too many friends who share these concerns with me. For that I know too many people who will join me, if you would give me the chance and let me live, in compassionately consider your actions. For that I know too many psychologists, anthropologists, doctors, who would love to begin a dialogue with you.
It is true. We too often converse from our laptops. The world is crying because we rely on our laptops too much. But don’t kill us because you think we are all like that.
I am not even an Afrikaner, do you know that? I am Belgian. If your hate is fueled by apartheid, know that I was only a child when this country celebrated its racist momentum. My days were filled with going to school, trying to achieve good grades, pursuing many hobbies and longingly noticing the flirting glances of boys. No, while apartheid rode the high tide, I did not actively participate. Is that an excuse, you psychopathic man? Would it help knowing all this? Or are your motivations so racist that only a black skin would save me from a possible bullet? Oh, maybe you don’t mean any of what you said and I’m reading your words all wrong.
My friend was a part of it though. That’s true. He carries an active part of apartheid on his shoulders. But talk to him, do that. Please. His empathy is probably even more than mine exactly because he, without realizing it for a long time, stood on the wrong side of the black-white spectrum. Ask him about his years in the army, the protestant church services he attended, the map in his military class with every African country where the white colonial government fell, colored brown and titled, “The Brown Danger.” Ask him how that felt; you will see his tears.
Yes! Talk to us, please. Hear the conversations he and I are having in our second hand mini bus, when we over and over see people walking on the shoulder of the high way. Note all the times we wish we were able to better integrate into your community. Treasure all our words of admiration for the way you move your bodies, exude a kind of warmth, which we are losing or have already lost. Hear our love. It sounds pathetic, but hear it, please, and do it here and now. I have a heart. My friend as well. You can take everything with, everything, you hear me? Maybe in some crazy way that is even fair. But don’t send a bullet through us, just because our skins are so pale. Do you hear me?
*
“Where is your cell phone?”
Once again I’m not sure I understand the words.
“Your cell phone,” he repeats. “Where is it?”
I gather all politeness my body can produce at this moment. I want to give this man the feeling he’s being respected. That is the only thing I can think of right now: let him feel he is respected as a criminal. Maybe that is the common ground of our connection: respect. I muster all my courage. I imagine myself sounding calm, polite. I dare not sound hesitant on the one hand, but also not too confident on the other hand. I am reminded of the hundreds of hours of voice training I received during theater studies. I can do this, I tell myself.
In my best English, I answer: “It is probably on the bed. That is where I last used it. But I’m not sure. See if you can find it there.”
Someone moves the stuff on the bed. I don’t hear any violence. Apparently they are happy with their find.
“Remove the battery! Remove the battery!” I hear someone say. Yes, of course. That is how it goes down with phone theft. Sim card and batteries are taken out so that no one can trace us or the phone.
“We know you will remember this for a long time,” someone says unexpectedly softly. Is it the Nice One?
“We are all human,” he adds.

Beauty and horror were never this close.

10 jan. 2018

Jazz at the Bakery

De spookachtige witte gedaantes naast Francois Le Roux zijn grote koelkasten van een bakkerij in Kalk Bay (niet ver van Kaapstad), waar we zo'n twee weken geleden optraden. Oorspronkelijk was het een cinema, nog in de tijd van de Apartheid. Blanken zaten beneden, niet - blanken boven. De laatsten bekogelden blijkbaar af en toe met hun snoeppapiertjes en lege kartonnetjes het publiek beneden. Volledig begrijpelijk, zou ik zeggen. Later werd het een indoor squash baan, nu al 20 jaar een artisanale bakkerij. Toen Paul Kahanovitz een nieuwe plaats zocht om zijn jazz concerten te organiseren, dacht hij aan deze ruimte. Waarom niet? De zoveelste illustratie van het Afrikaanse gezegde "boer maak een plan". Heb je geen theater? Dan ga je toch gewoon naar een grote bakkerij en zet er alles klaar terwijl de bakkers op de achtergrond de dag aan het afronden zijn. Thanks Paul Kahanovitz for organizing this great event!